Begrippen

A

Aanbouwen
Grondgebonden toevoeging meestal van een bouwlaag aan een gevel van een gebouw. 

Achtergevellijn
Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen. 

Achtererf
Gedeelte van het erf tussen de achtergevellijn en de aan de achterzijde van het gebouw gelegen erfgrens.

Achterkant
De bebouwing en het erf in zoverre niet duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Met deze definitie is gekozen enigszins af te wijken van het begrip achterkant zoals omschreven in het Besluit Omgevingsrecht, waarin het vergunningvrij bouwen is geregeld. Deze welstandelijke definitie geldt als een bouwwerk niet vergunningvrij is en voor beoordeling op basis van de excessenregeling. Het begrip achterkant is gekoppeld aan de algemene welstandscriteria - de relatie tussen een bouwwerk en zijn omgeving- en de excessenregeling. Naarmate een bouwwerk meer in het zicht staat en de openbare ruimte van groter belang is voor het aanzicht van de stad of het landschap is er eerder sprake van een exces. Immers, naarmate een bouwwerk of bouwdeel nadrukkelijker zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, des te hoger zijn de eisen die mogen worden gesteld aan de visuele kwaliteit. In hoeverre bijvoorbeeld een bouwwerk achter een hoekwoning zichtbaar is vanuit de straat bepaalt of er sprake is van een voorkant of een achterkant.

Algemene welstandscriteria
Samenhangende reeks welstandscriteria, geldig voor alle bestaande dan wel nieuwe bouwwerken, gebruikt als onderlegger voor alle gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria; in bijzondere gevallen ook zelfstandig te gebruiken.

Afdak
Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen.

Afstemmen
In overeenstemming brengen met. 

Architectuureenheid
Een of meer bouwblokken die als eenheid ontworpen zijn en als zodanig herkenbaar.

Asymmetrische kap
Zadeldak met twee ongelijke dakvlakken. 

AUP
Algemeen Uitbreidingsplan. Stedenbouwkundig plan (van Van Eesteren c.s.) voor de uitbreiding van Amsterdam. Het plan als geheel was in 1935 gereed, maar is grotendeels pas na de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd. Tot begin jaren zeventig van de vorige eeuw is op basis van het AUP een lange reeks uitbreidingsplannen of deelplannen gerealiseerd. In de AUP-gebieden bestaat de stedenbouwkundige structuur uit een gelaagde compositie van verkeerswegen, groen- en waterstructuur en de bebouwing(svelden) daartussen.

Authentiek
Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.

B

Band
Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen. 

Bebouwing
Een of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

Bebouwingstypologie
Indeling in een aantal soorten gebouwen met gemeenschappelijke eigenschappen.  

Bebouwingsveld
Hoofdelement in een totaalcompositie van de woonwijken in het AUP. Een veld (dikwijls een buurt), is opgebouwd uit meerdere verkavelingseenheden en wordt gestructureerd door een infrastructuur van wegen en openbaar groen. 

Bedrijfsbebouwing
Gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.

Behouden
Handhaven, bewaren, in stand houden. 

Belendende
Naastgelegen, (direct) grenzend aan.

Bel-etage
Hoofdverdieping van een pand, gelegen boven de begane grond, vaak echter boven een souterrain. De bel-etage is gewoonlijk hoger dan de onder- en bovengelegen verdiepingen. 

Beoordelingskader
Specifiek pakket welstandscriteria voor een vergunningplichtige ingreep; geeft aan op welke aspecten en binnen welke bandbreedte de ingreep wordt beoordeeld. 

Beschermd stads- of dorpsgezicht
Gebied dat van algemeen belang is om zijn schoonheid, zijn onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel wetenschappelijke of cultuurhistorische waarden en waarin zich één of meer monumenten bevinden; gebied dat vanwege de ruimtelijke of cultuurhistorische waarde is aangewezen tot beschermd gebied krachtens de Monumentenwet of de erfgoedverordening. 

Bestemmingsplan
Door de gemeenteraad vastgesteld plan dat bestemming en gebruik van gronden en bouwwerken in een bepaald gebied regelt door middel van voorschriften en kaarten. 

Bijgebouwen
Grondgebonden gebouw meestal van een bouwlaag dat los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage. . 

Binnenstad
Het gebied binnen de Singelgracht, ofwel het centrum van Amsterdam. Het gebied bestaat uit de middeleeuwse kern, ontstaan langs de Amstelmonding in het IJ, de daaromheen aangelegde stadsuitbreidingen vanaf de 14de eeuw tot en met eind 17de eeuw en tenslotte de in de 19de eeuw bebouwde Singelgrachtzone. Over het algemeen vinden we gesloten bouwblokken, waarin de historische (smalle en diepe) parcellering nog aanwezig is. 

Blinde wand, muur of gevel
Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening. 

Boeiboord
Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. 

Boerderij
Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis.

Borstwering
Lage dichte muur tot borsthoogte. 

Bouwblok
Een geheel van geschakelde bebouwing. 

Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. 

Bouwlaag
Verdieping c.q. horizontale reeks ruimten in een gebouw. 

Bouwperceel
Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

Bouwwerk
Algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten. 

Bovenbouw
Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament. 

Bovendorpel
Bovenste horizontale regel van een deur-, raamkozijn of raam. 

Buitengebied
Buiten de kernen gelegen gebied, ook wel landelijk gebied. 

Buitenplaats
Buitenverblijf met herenhuis (kasteel of landhuis) met bijgebouwen en omringende privé-tuin of park, meestal met specifiek ontworpen aanleg; voornamelijk in de 17de en 18de eeuw gesticht.

Bungalow
Meestaal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd. 

Bureau Monumenten en Archeologie (BMA)
Onderdeel van de gemeente Amsterdam dat informatie geeft over monumenten, beschermde gezichten, waarderingskaarten en monumentenvergunningen; adviseur van de Commissie voor Welstand en Monumenten; meer informatie op www.bma.amsterdam.nl

C

Categorieën
Gebouwtypen of bouwwerken die zo gebiedseigen zijn, een specifieke functie hebben of beeldbepalend zijn dat daarvoor afzonderlijke welstandscriteria zijn opgesteld. 

Carport
Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning. 

Centrale stad
Amsterdams bestuursorgaan, verantwoordelijk voor het grootstedelijk bestuur. 

Classicisme
Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.

Conformeren
Zich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op. 

Context
Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken. 

Contrair gaan
Een dagelijks bestuur van een stadsdeel of het College van Burgemeester en Wethouders kan in bijzondere gevallen, gemotiveerd besluiten om bij het al dan niet verlenen van een vergunning het advies van de welstandscommissie niet op te volgen. 

Contrasteren
Een tegenstelling vormen. 

Cultuurhistorische waarde
Een bouwwerk of een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied.


D

Dak
Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak. 

Dakafdekking
Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht. 

Dakhelling
De hoek van het dakvlak. 

Dakkapel
Ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. 

Daklijst
Dakrand, lijst als beëindiging en overgang tussen dak en gevel, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal Hoogste punt van een schuin dak. 

Dakloggia
‘Omgekeerde’ dakkapel, geen uitbouw maar een uitsparing in een dakvlak die meestal dient om in de kap buitenruimte te realiseren.

Daknok
Hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak 

Dakopbouw
Een toevoeging van een bouwmassa op het platte dak van een gebouw.

Dakraam
Raam in een dak. 

Dakrand
Daklijst, omtimmerde dakgoot, lijst als beëindiging en overgang tussen dak en gevel, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.

Daktrim
Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering. 

Dakuitbreiding
Een toevoeging aan de bouwmassa door bijvoorbeeld het verhogen van de nok of de dakrand van het dak, waarbij het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.

Dakvlak
Vlak of hellend (deel van het) dak van een gebouw. 

Dakvoet
Laagste punt van een schuin dak. Het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn. 

Damwandprofiel
Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering. 

Detail
Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en kozijn. 

Detaillering
Uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen. 

Diversiteit
Verscheidenheid, afwisseling, variatie. 

Dorpslint
Dorp in het buitengebied gekenmerkt door bebouwing langs een weg of dijk. 

Dwarskap
Kap, dwars gelegen op de kap van het hoofdgebouw of haaks op de voorgevel. 


E

Eerste verdieping
Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.

Ensemble
Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden.

Erf
Al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.

Erf(af)scheiding
Bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van en buurerf of van de openbare ruimte.

Erker
Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitgevoerd in metselwerk, hout en glas. 

Erfgoed
Alle objecten, gebouwen en gebieden die van cultuurhistorische waarde zijn, ook de niet wettelijk beschermde.

Erfgoedverordening
Verordening waarin het beleid ten aanzien van monumenten in de Gemeente Amsterdam is vastgelegd.

Excessenregeling
Gemeentelijke regeling gericht op het tegengaan van evidente buitensporigheden (excessen) in het uiterlijk van een bouwwerk.

F

Flat(gebouw)
Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd. 

G

Galerij
Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. 

Galerijflat
Flatgebouw waarbij langs de afzonderlijke woningen op de verdiepingen een galerij loopt als toegang naar de flats. 

Galerijstraat
Inpandige gang in een (flatgebouw) die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.

Gebiedsgerichte welstandscriteria
Welstandscriteria die betrekking hebben op een specifiek gebied; zowel zelfstandig als in combinatie met andere welstandscriteria te gebruiken. 

Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 

Gebouwtype
Geheel van karakteristieke kenmerken en eigenschappen die gemeenschappelijk zijn aan een groep van gebouwen, waardoor deze zich onderscheiden van andere.

Gepotdekseld
Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken). 

Geschakelde woningbouw
Tegen elkaar geplaatste woningen die oorspronkelijk behoren tot één architectonisch ontwerp. 

Gesloten bouwblok
Geheel van geschakelde gebouwen die op enige manier een blok vormen, met een gesloten en besloten binnengebied. 

Gestapelde woning
Een al dan niet uit meerdere bouwlagen bestaande woning, deel uitmakend van een gebouw waarin meerdere woningen zijn ondergebracht.

Getrapt
Trapsgewijs, in stappen, telkens iets meer.

Gevel
Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen. 

(Gevel)band
Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen. 

Gevelbeeld
Het uiterlijk van de gevel.

(Gevel)geleding
Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen. 

Gevelkozijn
Raamwerk in de gevel, bestaande uit twee stijlen met een boven- en onderdorpel, waarin glas, een deur of raam wordt aangebracht. 

Gevellijn
Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de gevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen (dit gaat om de ligging t.o.v. de weg, maar -anders dan bij rooilijn- ook t.o.v. openbaar groen). 

Geveltop
Top van een naar boven verjongende gevel. 

Goot
Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak. 

Goothoogte
Afstand tussen goot en maaiveld.

Gootklos
Zie klossen. 

Gootlijn
Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen. 

Gordel ’20– '40
De grote stedelijke uitbreiding die is gerealiseerd tussen de beide wereldoorlogen. De wijken liggen als een gordel rond de 19de-eeuwse Ring. Karakteristiek voor de Gordel '20-'40 is de samenhang tussen de hiërarchische, bloksgewijze stedenbouwkundige structuur, de architectuur van de straatwanden en de aandacht voor het sculpturale detail. 

Grachtengroen
Donkergroene kleur groen die veel bij monumenten wordt toegepast.

Groenstructuur
Ruimtelijke opbouw en onderlinge samenhang van het groen in een bepaald gebied. 

Grondgebonden woning
Een uit één of meerdere lagen bestaande woning met een voordeur die rechtstreeks uitkomt op de straat. 

H 

Hanenkam
Een taps toelopende rollaag boven een raam- of deuropening waarbij het midden van de streklaag duidelijk verhoogd is. 

Historiserend
Gebaseerd op historische stijlkenmerken.

Hoekaanbouw
Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw. 

Hoekaccent
Verbijzondering op de hoek van een gebouw.

Hoek- en kilkeper
Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken. 

Hoofdgebouw
Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 

Horizontale opbouw
Gevelopbouw van beneden naar boven. 

Hovenverkaveling
Verkaveling waarbij verschillende, los van elkaar staande, bebouwing is georganiseerd rond een centrale groene ruimte. 

I

Inbreiding
Het bouwen tussen bestaande bebouwing. 

Industriebebouwing
Bebouwing met een industriële bestemming. 

Installatie
Het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf. 

K

Kaakberg
Hooiberg, m.n. een met twee verdiepingen waarvan de onderste dient als schuur of stal. 

Kap
Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt. 

Kapverdieping
Verdieping onder de kap.

Kavel
Grondstuk, kadastrale eenheid. 

Keper
Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken. 

Kern
Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad. 

Keurtuin
De grachtengordel telt 27 zogenaamde keurblokken. Het zijn de ruimten tussen de Heren- en de Keizersgracht - achter de monumentale bebouwing - die slechts als tuinen mogen worden gebruikt. Ze danken hun naam aan de speciale keuren - verordeningen - die er van 1615 af voor golden. 

Kilkeper
Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken (inwendige hoek).

Klossen
Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten. 

Kop
In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw. 

Korrelgrootte
Schaal van de parcellering en bebouwing. 

Kroonlijst
Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. 


L


Lak
Afwerklaag van schilderwerk. 

Landmark
Oriëntatiepunt, beeldbepalende objecten, gebouwen of plaat-sen in het landschap.

Landschappelijke waarde
De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur. 

Langskap
Schuine kap evenwijdig aan de gevel.

Latei
Draagbalk boven gevelopening. 

Lessenaarsdak
Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak. 

Lichtkoepel
Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel. 

Lijst
Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst. 

Lineair
Rechtlijnig, langgerekt. 

Lint(bebouwing)
Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.

Loggia
Inpandig balkon.

Luifel
Afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.


M

Maaiveld
Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning. 

Makelaar
Decoratieve bekroning van een geveltop. Doel van de makelaar is tweezijdig: verbinding van de windveren en verfraaiing van de gevel.

Mansardekap
Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak. 

Markies
Opvouwbaar zonnescherm. 

Markisolette
Uitvalzonnescherm met eerst verticale val voor de diagonale uitval (met dus geknikte doeklijn).

Massa
Zichtbaar volume van bebouwing.

Materialisering
De middelen waarmee gebouwen of openbare ruimte worden vormgegeven.

Metselverband
Het zichtbare patroon van metselwerk. 

Middenstijl
Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn. 

Middenstuk
De horizontale opbouw per pand bestaat in het algemeen uit een driedeling. Deze bestaat uit een plint met ingangspartij op de begane grond, een middenstuk met de woonverdiepingen, en een dakbekroning.

Monument
Onroerend goed dat overeenkomstig de bepalingen van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als rijksmonument of onroerend goed dat overeenkomstig de bepalingen van de Erfgoedverordening Gemeente Amsterdam als gemeentelijk monument is aangewezen 

Monumentenbeleid
Beleid op het gebied van monumenten(zorg), bouwhistorie en archeologie.

Monumentenwet
De volledige tekst van de Monumentenwet is te vinden op www.wetten.nl

MSP-lijst
Lijst van de in het kader van het Monumenten Selectie Project geselecteerde rijksmonumentwaardige bouwwerken uit de periode 1850-1940. 

Muurdam
Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur. Of: het smalle gedeelte van een muur tussen twee gevelopeningen (bv. tussen twee hoge vensters of deuren) of tussen gevelopening en de hoek van een gebouw. Zie ook: penant. 


N


Negge
Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn. 

Nok
Hoogste lijn of punt van een schuin dak; horizontale snijlijn van twee dakvlakken. 


O

Omgevingsvergunning
Eén geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. De omgevingsvergunning werd op 1 oktober 2010 ingevoerd ter vervanging van de verschillende vergunningen voor wonen, ruimte en milieu. 

Ondergeschikt
Voert niet de boventoon.

Onderbouw
Het onderste van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen. 

Ontsluiting
De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein. 

Oorspronkelijk
Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek. 

Oorspronkelijke gevel
Gevel van een gebouw bij oprichting. 

Oorspronkelijke karakteristiek
Het karakter van een gebouw bij oprichting.

Openbaar groen
Met het openbaar groen wordt bedoeld hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen. 

Ordewaardering
Waardering van de bebouwing op pandniveau, vastgelegd in waarderingskaarten. Aan de waardering in ordes, opklimmend van basisorde naar orde 1 respectievelijk van orde 3 naar orde 1 in de Binnenstad, zijn welstandscriteria gekoppeld die de basis vormen voor de welstandsbeoordeling van bouwinitiatieven. 

Orthogonaal
Rechthoekig. 

Oriëntatie
De hoofdrichting van een gebouw.  

Ornament
Niet-zelfstandig versieringselement, dienend om een voorwerp of gebouw op te luisteren. 

Ornamentiek
Versieringskunst. 

Overkapping
Plat of schuin dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen.

Overstek
Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel. 


P

Paneel
Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting. 

Parcellering
Indeling in percelen. 

Patina
Zichtbare ouderdomskenmerken waardoor het oppervlak van oude (kunst)voorwerpen zich onderscheidt van dat van nieuwe voorwerpen van hetzelfde materiaal, resp. de nabootsing daarvan.

Penant
Het smalle gedeelte van een muur tussen twee gevelopeningen (bv. tussen twee hoge vensters of deuren) of tussen gevelopening en de hoek van een gebouw. Muurdam. 

Perceel
Stuk grond waarvoor één rechtsorde geldt, dat wil zeggen dezelfde eigenaar en hetzelfde eigendomsrecht heeft. 

Perifeer groengebied
Groengebied aan de rand van de bebouwde kom.

Pilaster
Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen. 

Plaatmateriaal
Materiaal van kunststof, staal, hout, meestal ten behoeve van gevelbekleding. 

Plan West
Door de Gemeente Amsterdam in 1922 gelanceerd plan, na de annexatie van de vroegere gemeente Sloten in 1921. Het vormde een vervolg op het Plan Zuid van H.P. Berlage uit 1917, op het geannexeerde grondgebied van Nieuwer-Amstel. Beide plannen waren ontworpen om te voorzien in het grote tekort aan woningen na de Eerste Wereldoorlog. 

Plan Zuid
Definitief plan uit 1917 van H.P. Berlage, op het geannexeerde grondgebied van Nieuwer-Amstel. Het plan was, net als het wat latere Plan West (1922), bedoeld om te voorzien in het grote tekort aan woningen na de Eerste Wereldoorlog. Plan Zuid is conform de ideeën van Berlage gerealiseerd met afwisselende buurtjes en gesloten bouwblokken, die veelal één architectuureenheid vormen. 

Plastiek
Sterke ruimtewerking door vooruit- of terugspringende bouwdelen of gebogen vlakken, bijvoorbeeld erkers, balkons, aanbouwen enz.

Plint
Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw of een duidelijk te onderscheiden onderste horizontale laag van een gebouw, bijvoorbeeld een plint met bergingen. 

Portiek
Ingebouwd portaal dat aan de straatzijde geheel open is en leidt naar de deur van een huis of het gemeenschappelijk trappenhuis. 

Portieketagewoning
Woning in een woningcomplex die met de voordeur op eenzelfde portiek (al of niet met buitentrap) uitkomen.

Profiel
Omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan. 

Profilering
Aangebrachte vorm en maatvoering van profiel. 

Pui
Gevelzijde van de onderbouw van een gebouw, veelal onderscheiden van de rest door gebruik van een ander materiaal (hout, aluminium etc.) met glas. 

Puibalk
Zware balk over een pui, die dient om het bovendeel van een gevel te dragen en een onderpui te overspannen. 

Puilijst
Lijst, ter hoogte van de puibalk in een gevel aangebracht.


R

Raamdorpel
Horizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd. 

Raamhout
Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post. 

Renovatie
Vernieuwing. Aanpassing van een woning aan de tegenwoordige eisen van elementair woongenot.

Respecteren
Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen.

Restauratie
werkzaamheden gericht op ontstorend behoud, herstel en bescherming van gebouwen met cultuurhistorische waarde.
 
Risalering/risaliet
Deel van een voorgevel dat vooruitspringt, minstens één raamtravee breed en over de gehele hoogte doorlopend. 

Ritmiek
Regelmatige herhaling. 

Roede
Tussenregel van een glasraam.

Rollaag
Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand. 

Rooilijn
Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden. 

Roede
Een samenstel van gebieden die op grond van stedenbouwkundige en ruimtelijke kenmerken een vergelijkbare verschijningsvorm hebben. 

Ruimtelijke kwaliteit
Optimaal samenspel tussen de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de esthetische waarde ofwel de schoonheid van een gebied of een gebouw (vrij naar Vitruvius).


S


Schaal
Het begrip van relatieve grootte, vooral van één element tot een ander of van één element tot het geheel; ook, een object of gebied dat in evenredige verhouding staat tot het object of dat gebied. 

Scharnierpunt
Locaties waar de randen van twee of meer ruimtelijke systemen dicht aan elkaar grenzen en mede daardoor de stedenbouwkundige structuur niet eenduidig is te definiëren. 

Schilddak
Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. 

Setback
Teruggelegen bovenste verdieping soms voorzien van dakterras. 

Signaalkleuren
Felle in het oog springende kleuren, ook primaire kleuren worden hieronder gerekend. 

Situering
Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving. 

Souterrain
Onderhuis, benedenverdieping die gedeeltelijk lager dan het straatniveau (maaiveld) ligt.

Speklaag
Lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen. 

SPvE
Stedenbouwkundig Programma van Eisen. 

Stadsdeel
Bestuurlijke eenheid die gedecentraliseerde, eigen bevoegdheden heeft; soort subgemeente. De raad heeft een secretariaat en een dagelijks bestuur. 

Stedenbouwkundig plan
Ontwerp voor de bouw of herstructurering van een gebied in een stad of dorp. 

Stedenbouwkundige eenheid
Samenstel van bouwblokken die als eenheid zijn ontworpen en als zodanig herkenbaar zijn. 

Stedenbouwkundige structuur
Ruimtelijke opbouw of samenstelling van een gebied: de manier waarop bebouwing, straten, pleinen, water en andere open ruimte ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd. 

Stedenbouwkundige zone
Vergelijkbaar met het ordestelsel wordt (met uitzondering van de Binnenstad) de kwaliteit van de stedenbouwkundige aspecten uitgedrukt in stedenbouwkundige zones, opklimmend van basiszone naar zone A. 

Stijl
Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming. 

Stolpboerderij
Noord-Hollands boerderijtype met een min of meer vierkante vorm en een piramidevormig dak. 

Strook-, haak- en hoftype
Type verkaveling in stroken of haken, soms door bepaalde rangschikking hoven vormend.

Supervisor
Persoon die tot taak heeft te bevorderen dat een hoogstaande ontwerpkwaliteit wordt bereikt; het gaat hierbij om de ontwerpkwaliteit van het afzonderlijke bouwproject, een goede afstemming met het ontwerp van de openbare ruimte en de afstemming met andere bouwprojecten binnen één Stedenbouwkundig Plan. 

Suskast
Ventilatierooster met omkasting ten behoeve van natuurlijke ventilatie waarin geluid van buiten wordt geabsorbeerd, zodat zowel voldoende ventilatiecapaciteit alsook afdoende geluidwering wordt gerealiseerd. 

Systeembouw
Bouw volgens een bepaald systeem, bijvoorbeeld betonelementenbouw, stapelbouw, houtskeletbouw; montagebouw.


T

Talud
Helling, glooiing, schuinte van het zijvlak van aardwerken, dijken, spoorbanen, vestingwerken. 

Textuur
De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk). 

Topgevel
Bovenste geveldeel dat naar boven toe verjongd is. Een topgevel staat meestal aan de korte zijde van een gebouw of vormt de hoofdgevel van een risaliet. 

Travee
Begrip bij de vlakverdeling van gevels. De afstand tussen twee opeenvolgende steunpuntassen in de lengterichting van een gebouw. 

Trendsetter
Een door de welstandscommissie eerder (afgelopen drie jaar) goedgekeurd en uitgevoerd bouwplan dat als uitgangspunt gehanteerd kan worden bij een bouwblok, ensemble of buurt met een vergelijkbare architectuur.


U

Uitbouw
Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is. 

Uitbreidingsplan
Ontwerp tot vergroting van de bebouwde kom van een gemeente.


V

Venster
Een (licht)opening in de muur van een gebouw. 

Vensteras
Denkbeeldige lijn door het midden van de vensters. Wanneer een gevel minstens twee bouwlagen heeft en de vensters van de begane grond en de verdieping(en) recht boven elkaar liggen, dan noemt men het aantal vensterassen.

Verdieping
Bouwlaag. 

Vergunning
Zie Omgevingsvergunning. 

Vergunningvrije bouwwerken
Bouwwerken die zonder vergunning te realiseren zijn. Zie voor meer informatie  http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bouwregelgeving/omgevingsvergunning-voor-bouwen/vergunningvrij-bouwen

Verjongen
Naar het uiteinde toe afnemen in omvang of zwaarte. 

Verkaveling
De manier waarop een gebied in stukken, kavels geheten, is verdeeld. 

Verkavelingseenheid
Bestaat meestal uit verschillende architectuureenheden. De bebouwing in een verkavelingseenheid vormt een compositie van gebouwen (van gelijke en/of verschillende typologie) en een bouwsteen voor een (bebouwings)veld. 

Verticaliteit
In verhouding veel hoger dan breed; het laten domineren der verticale lijnen in het uiterlijk. 

Villa
Vrijstaand, aanzienlijk woonhuis (vooral landelijk gelegen of in een parkachtige stadswijk). 

Visuele eenheid
Zichtbaar samenhangend geheel. 

Vlucht
Vooroverhellen van een muur; vroeger werden gevels op ‘vlucht’ gesteld, mede om inwatering van het metselwerk te voorkomen. 

Voegwerk
Al de voegen van een gemetselde muur.

Volant
Strook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies. 

Voorerf
Gedeelte van het erf tussen de voorgevellijn en de aan de voorkant van die lijn gelegen perceelsgrens. 

Voorgevel/voorkant
De bebouwing en het erf in zoverre duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Met deze definitie is gekozen enigszins af te wijken van het begrip achterkant zoals omschreven in het Besluit Omgevingsrecht, waarin het vergunningvrij bouwen is geregeld. Deze welstandelijke definitie geldt als een bouwwerk niet vergunningvrij is en voor beoordeling op basis van de excessenregeling. Het begrip voorkant is gekoppeld aan de algemene welstandscriteria - de relatie tussen een bouwwerk en zijn omgeving- en de excessenregeling. Naarmate een bouwwerk meer in het zicht staat en de openbare ruimte van groter belang is voor het aanzicht van de stad of het landschap is er eerder sprake van een exces. Immers, naarmate een bouwwerk of bouwdeel nadrukkelijker zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, des te hoger zijn de eisen die mogen worden gesteld aan de visuele kwaliteit. In hoeverre bijvoorbeeld een bouwwerk achter een hoekwoning zichtbaar is vanuit de straat bepaalt of er sprake is van een voorkant of een achterkant.

Voorgevellijn
Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen. 

Voorgevelrooilijn
Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening.


W

Waarderingskaart
Welstandskaart waarbij binnen een ruimtelijk systeem de bebouwing stelselmatig gewaardeerd is in ordes, opklimmend van basisorde naar orde 1 respectievelijk van orde 3 naar orde 1 in de Binnenstad. Vergelijkbaar met het ordestelsel wordt de kwaliteit van de  stedenbouwkundige aspecten uitgedrukt in stedenbouwkundige zones, opklimmend van basiszone naar zone A (met uitzondering van de Binnenstad).

Weg
Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. 

Welstandadvies
Advies van de welstandscommissie aan het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het stadsdeel over de vraag of een aanvraag voor een vergunning voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals vastgelegd in de welstandsnota. 

Welstandsbeleid
Door de gemeenteraad of de stadsdeelraad vastgesteld beleid waarin de ambities voor de esthetische kwaliteiten van bouwwerken en de inpassing daarvan in de omgeving zijn vastgelegd.

Welstandsbeoordeling
Beoordeling door de commissie of een aanvraag voor een vergunning voldoet aan de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.

Welstandscommissie
Door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders c.q. het dagelijks bestuur van de stadsdelen advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of een aanvraag voor een vergunning voldoet aan redelijke eisen van welstand zoals vastgelegd in de welstandsnota.

Welstandsnota
Beleidsnota die door de gemeenteraad of de stadsdeelraad is vastgesteld en die alle criteria voor de welstandsbeoordeling bevat. 

Welstandsniveau
De welstandsniveaus geven op een genuanceerde en getrapte manier aan wat de ambities en beoogde ontwikkelingen zijn per gebied en wat de kwaliteit is die in overeenstemming met deze ambities van een ontwerp mag worden verwacht.

Welstandstoezicht
Alle aspecten, regels en werkwijzen rondom het wettelijke voorschrift dat elk bouwplan moet voldoen aan redelijke eisen van welstand tenzij het welstandsvrij is.

Welstandsvrij
Gebieden of categorieën die door de gemeenteraad of de stadsdeelraad als welstandsvrij zijn aangewezen, waardoor bij de vergunningaanvraag (preventief) geen welstandsbeoordeling plaatsvindt en ook achteraf (repressief) geen welstandstoezicht kan worden uitgeoefend; en bouwwerken die wettelijk (AmvB) vergunningvrij zijn (en daarmee welstandsvrij).

Werf
Plaats waar schepen of andere drijvende objecten worden gebouwd of worden gerepareerd; plaats waar hout of andere artikelen opgestapeld liggen. 

Windveer
Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept. 

Wisseldorpel
Van oorsprong bij schuiframen. Onderregel van het bovenraam en bovenregel van het onderraam.

Woning
Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding. 

Woonblok
Groep (aaneengesloten) huizen die door straten min of meer rechthoekig wordt ingesloten. 

Woonerf
Woonwijk of -buurt die autoluw of -vrij is en waar doorgaand verkeer niet mogelijk is.

Wolfdak/wolfeinden
Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).


Z

Zadeldak
Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel. 

Zichtlijn
Een zichtlijn kan afhankelijk van de context en het schaalniveau een van de volgende twee betekenissen hebben:

- Denkbeeldige lijn waarlangs objecten of ruimte zichtbaar zijn of waarmee een visuele verbinding wordt gelegd. Deze lijnen hebben in de regel een stedenbouwkundige of landschappelijke betekenis, die samen kan hangen met bijzondere punten of panden en daarmee gevolgen kan hebben voor de architectuur.
- Denkbeeldige lijn die definieert welk bouwwerk of welke delen van bouwwerken vanuit de openbare ruimte wel of niet zichtbaar zijn, waarbij te denken valt aan schuren, technische installaties en dakuitbreidingen.

Zichtlocatie
Vestigingsplaats pal langs een openbare weg. 

Zijerf
Gedeelte van het erf tussen een zijgevellijn en de aan die zijde van het gebouw gelegen erfgrens.

Zijgevellijn
Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.

  • Laatste update: 20-11-2018

© Gemeente Amsterdam