Binnenstad (1)

Deelsysteem

Centrum Weesp

Tot de binnenstad van Weesp wordt het gebied gerekend, dat oorspronkelijk gelegen was binnen de stadsgrenzen tot medio 19e eeuw. De binnenstad van Weesp is op 21 juni 1982 aangewezen als 'beschermd stadsgezicht'. Niet behorende bij het beschermd stadsgezicht, maar wel als deel uitmakend van het centrum is het gebied tussen Singel, Buitenveer, Achtergracht en de Groeneweg en het gebied Herensingel, Papelaan en de Herengracht. De in de 17e eeuw gerealiseerde 'schansen' Bakkerschans, Nieuwe Achtkant, Rozeschans en de Draaierschans zijn nog steeds feitelijk aanwezig aan de zuid- en oostkant; m.b.t. de west- en noordgrens zijn de aanzetten qua contour nog herkenbaar, de schansen zelf zijn nooit voltooid. De Hugo de Grootlaan, Singel, Papelaan, Herensingel en de Stationsweg volgen de contour van de vesting. De lintstructuren van de Vuurlinie woningen vormen de eerste bebouwingsstrook buiten de schansen. Ze zijn uitgevoerd in hout waardoor destijds een snelle verwijdering uit het schootsveld mogelijk was. Deze bijzondere achtergrond en de karakteristieke opbouw en verschijningsvorm van de panden zijn aanleiding geweest om beide stroken als onderdeel van het beschermde gezicht te beschouwen.

Stedenbouwkundige structuur
De stedenbouwkundige structuur van de binnenstad is vooral bepaald door de historische ontwikkeling van de nederzetting. De stad is ontstaan op de kruising van de Vecht en Smal Weesp. Parallel aan de Vecht is het in 2 fasen gegroeid in westelijke richting. De eerste fase was tussen 1350 -1550, de tweede fase tussen 1550-1650. Uiteindelijk is het fortificatieplan uit de 17e eeuw slechts gedeeltelijk gerealiseerd. De oorspronkelijke stedelijke structuur is vrijwel geheel in tact gebleven.

Lange lijnen parallel aan de Vecht zijn dominant in de stedenbouwkundige structuur: dit zijn de hoofdstraten: Hoogstraat, Middenstraat, Nieuwstraat, Oude Gracht, Nieuwstad, Achtergracht en Singel. De twee assen daar dwars op zijn ook meer prominent (Groeneweg en Herengracht) en hebben een doorgaande verbinding. De overige straten zijn formele en informele dwarsverbindingen in de vorm van straten en stegen tussen de hoofdstraten. Ten noorden van de Herengracht is sprake van een meer gelijkwaardig stelsel van woonstraten rond min of meer gesloten woonblokken.

Opvallende buurtjes aan de oostzijde van het binnenstad gebied zijn de Roskamstraat en het zgn. 'Rode dorp'. De Roskamstraat is een doodlopende straat met aan beide zijden karakteristieke oude, statige woonhuizen, overwegend uit de 19e eeuw. Het zijn zowel individuele panden als korte reeksen met een wisselende voorgevelrooilijn. Er zijn panden met en zonder voortuin. Het 'Rode dorp’ is een samenhangend buurtje met kleinschalige rijen met eengezinshuizen aan de Singel, Talmastraat en Dr. Schaepmanstraat. Kenmerkend zijn de rode dakpannen waaraan het buurtje zijn naam dankt.

Het centrumwinkelgebied bevindt zich in hoofdzaak op de assen Nieuwstraat - Slijkstraat - Nieuwstad. De bijzondere gebouwen in het gebied zijn: de grote of Laurenskerk (14e eeuw) aan de Nieuwstraat, het monumentale raadhuis (1772-1776), de H. Laurentiuskerk aan de Herengracht, de voormalige Lutherse kerk aan de Nieuwstad, de Van Houtenkerk aan de Oudegracht, het voormalige politiebureau aan de Nieuwstraat, het voormalige postkantoor aan de Oudegracht, de bibliotheek aan de Oudegracht, de St. Jozefschool aan de Blomstraat en het sociaal-culturele centrum "City of Wesopa" aan de Herengracht.

Bebouwingskarakteristiek
De bebouwing in de binnenstad kenmerkt zich door kleinschaligheid van individuele panden in aaneengesloten straatwanden, waarin de rijksmonumenten de 'dragers' zijn van het monumentale en beschermde stadsgezicht. Kenmerkend zijn de relatief geringe verschillen in omvang van de panden en het traditionele materiaalgebruik: metselwerk in baksteen voor de gevels en keramische pannen op de daken. Grote bloeiperioden zijn aan Weesp voorbijgegaan: de bebouwing heeft een overwegend sobere verschijningsvorm; de materialisatie, detaillering en ornamentiek van de historische panden heeft over het algemeen een bescheiden karakter.

Binnen het stadsweefsel zijn op verschillende plekken nieuwbouwplannen gerealiseerd, zowel individueel als in kleinere reeksen. Over het algemeen kan vastgesteld worden, dat deze vervangende nieuwbouw een meer eigentijdse - soms zeer gedateerde - uitstraling heeft gekregen. De schaal, gevelopbouw en materialisatie over het algemeen goed aansluiten op die van de historische binnenstad.

Een geheel eigen positie en vormgeving hebben de panden aan de Roskamstraat: in 2 bouwlagen, een sprekende gootlijst en een kap, de gevels in bruine baksteen met regelmatige reeksen gelijke ramen, een grijs-gesmoorde keramische oudhollandse pan op de daken en 'klassieke' dakkapellen. Ook deze unieke samenhang is zeer behoudens waardig en verdient dan ook zijn plaats binnen het beschermde stadsgezicht.

Tenslotte valt het 'Rode dorp' op als een vroege 20e -eeuwse verkaveling met kleinschalige, ambachtelijk gedetailleerde rijenwoningen. De panden zijn opgebouwd in één bouwlaag en een mansardekap, waarbinnen een vrijwel volledige tweede verdieping. De langskap van de mansarde wordt afgewisseld met dito topgevels. De gevels zijn met een rode baksteen opgetrokken, op de daken ligt een rode keramische pan. De bouwstijl verwijst enigszins naar de 'Amsterdamse School'.

Waardering
De binnenstad van Weesp ontleent zijn waarde in de eerste plaats aan de nog vrij complete historische structuur en de gemoedelijke kleinschaligheid en homogeniteit van het stedelijke weefsel (vormentaal en materiaaltoepassing van de panden). Daarnaast is het gebied van grote betekenis, vanwege de belangrijke forumfunctie: winkelvoorzieningen, dienstverlening en publieke functies maken de binnenstad tot een ontmoetingsplaats voor alle soorten gebruikers en bezoekers. Vervolgens mag de belangrijke potentie als gebied voor specifiek stedelijk wonen niet onvermeld blijven. De waardering voor de beeldkwaliteit van de historische binnenstad komt vooral tot uiting in de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht. De houten woningen aan de Vuurlinie ontlenen hun waarde aan de specifieke stedenbouwkundige opzet, de karakteristieke vormgeving van de huizen en hun sterke onderlinge samenhang. De toegekende hoge waarde is bevestigd door de toevoeging van beide ensembles aan het beschermde stadsgezicht.

Ontwikkelingen
De binnenstad is “op leeftijd” en qua functies een gemengd/dynamisch gebied. Dit houdt in, dat zich voortdurend initiatieven zullen aandienen welke gericht zijn op het op peil brengen van de bouw- en woon technische kwaliteit van de panden en in het algemeen, alsmede op de functie- veranderingen in het bijzonder.

Beleid
Het welstandsbeleid van de binnenstad is gericht op het maximaal behouden en versterken van de stedenbouwkundige, morfologische, architectonische en culturele waarden (hogere kwaliteitsdoelstelling!), evenals het versterken van het centrumwinkelapparaat, het versterken van de woonfunctie, het verbeteren van het woonmilieu in het algemeen en het op peil houden, respectievelijk verbeteren van de inrichtingskwaliteit van de openbare ruimte in het bijzonder.

 


Criteria

Criteria

De algemene welstandscriteria én de gebiedsgerichte criteria zijn van toepassing, aangevuld met criteria voor het beschermd stadsgezicht: In het beschermd stadsgezicht geldt een restauratieve aanpak. Dat wil zeggen dat alle ingrepen worden beoordeeld in het kader van het behoud en herstel van het beschermd stadsgezicht.

De algemene welstandscriteria én de gebiedsgerichte criteria zijn van toepassing. In het beschermd stadsgezicht geldt een restauratieve aanpak. Dat wil zeggen dat alle ingrepen worden beoordeeld in het kader van het behoud en herstel van het beschermd stadsgezicht.

Voor de Vuurlinie zijn aanvullende criteria van toepassing die aan het einde zijn opgenomen.

 

Ligging

  • nieuw- en verbouwplannen binnen de huidige kavels realiseren
  • straatgevelwanden hebben een afwisselende goot- en bouwhoogte
  • bij vervangende nieuwbouw in historiserende stijl is er een relatie met de historische karakteristieken van Weesp en is de zuiverheidvan de gekozen stijlperiode uitgangspunt
  • bij vervangende nieuwbouw in eigentijdse stijl houdt men op hoofdlijnen de historische stedenbouwkundige en architectonischekenmerken van de binnenstad aan, de uitwerking en detaillering kan een verwijzing naar de historie zijn door een eigentijdse interpretatie
  • in oriëntatie, ritme en ontsluiting aanpassen bij de belendingen bijgebouwen liggen achter de hoofdmassa of maken deel uit van destraatwand
  • bestaande kleine verspringingen en/of hoekverdraaiingen in de voorgevelrooilijn blijven gehandhaafd
  • panden zijn voorzien van een kap, de kapvormen zijn afwisselend
  • individuele gevels blijven intact bij functionele samenvoeging van panden;
  • op de begane grond is de verdiepingshoogte in principe groter dan op de verdiepingen
  • gevelopeningen zijn in principe verticaal; geen uitstekende balkons aan de straatzijde
  • geen dichte gevels, bergingen of aanbouwen aan de straatzijde

 

Architectonische uitwerking

  • bij ver- en nieuwbouw is de detaillering en ornamentiek, gerelateerd aan het niveau van de 'vormenrijkdom' in de binnenstad ennaastgelegen panden
  • dakkapellen aan de straatzijde zijn ondergeschikt, met voldoende afstand tot de nok, de hoekkepers en/of de zij-dakschilden; de afstandtot de goot is per pand verschillend
  • detaillering van gevel en gevelonderdelen is traditioneel en ambachtelijke (negge, profilering e.d.) en passend bij de bouwtijd van hetpand
  • goten aan de straatgevel(s) worden zorgvuldig gedetailleerd
  • zichtbare hemelwaterafvoeren worden in de zijgevel geplaatst of met een verdiepte detaillering op de scheiding van panden
  • bij toevoegingen in/aan de gevel wordt de verschijningsvormkwaliteit (indeling, geleding, ornamentiek e.d.) niet aangetast; dit betekent o.a. dat airco-kasten in de straatgevel niet gewenst zijn, evenals luifels en vaste markiezen, met uitzondering van ophaalbare markiezenvoor elke afzonderlijke gevelopening
  • reageer met de entree op de karakteristieke stoepjes voor de gevel (soms met diepe goten en lager gelegen dan de straat)

 

Materiaal- en kleurgebruik

  • het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel
  • het hoofdmateriaal voor de gevel is in principe baksteen (rood, bruin of zandkleurig)
  • het gebruik van kunststof is niet toegestaan. Dit geldt voor zowel een gevel (of dakvlak) die (dat) zichtbaar is vanaf de openbarebuitenruimte als voor een gevel (of dakvlak) die (dat) niet (of nauwelijks) zichtbaar is vanaf de openbare buitenruimte
  • geen nieuwe gepleisterde of geschilderde gevels
  • hellende daken zijn gedekt met keramische pannen, type dakpan is afgestemd op de bouwtijd van de woningen
  • het kleurgebruik past in het historisch-traditionele palet van de binnenstad. Schreeuwende en anderszins opdringerige kleurstellingenzijn niet toegestaan. Nadrukkelijke kleuren beperken zich tot ondergeschikte elementen in de gevel
  • voegtype, breedte en samenstelling bij bestaande panden handhaven of terugbrengen naar historisch gewenste situatie
  • dubbelglas is alleen toegestaan indien er geen aanpassing van het historisch venster nodig is
  • het is niet toegestaan glas in lood tussen/in dubbelglas te plaatsen
  • voor de inrichting van de openbare ruimte in de binnenstad wordt verwezen naar de Stadscatalogus
  • oeverbeschoeiingen moeten traditioneel worden gedetailleerd, dienen in principe te worden uitgevoerd in hout en dienen in beginselzo laag mogelijk te worden gehouden; aanwezige hoogteverschillen moeten, behalve langs de grachten, met een natuurlijk taludworden opgevangen

 

Gebiedsgerichte criteria Vuurlinie

Ligging

  • de hoofdgebouwen zijn vrijstaand en vormen een lintvormige structuur; het dichtbouwen van de tussenruimte is niet toegestaan
  • de hoofdgebouwen hebben een straatgerichte topgevel en een dwarskap in de vorm van een zadeldak of mansarde
  • aanbouwen en bijgebouwen bevinden zich achter de achtergevel van het hoofdgebouw

 

Massa

  • de gevels van de gebouwen zijn opgebouwd met een houten constructie, houten bekleding en houten kozijnen en bewegende delen
  • de daken van aan- of bijgebouwen worden bij voorkeur van een kap voorzien

 

Architectonische uitwerking

  • de architectonische uitwerking is eenvoudig
  • de detaillering van gevel, kozijnen en bewegende delen is ambachtelijk en traditioneel, passend bij de bouwtijd van de woning

 

Materiaal- en kleurgebruik

  • gevel, kozijnen en draaiende delen zijn van hout
  • hellende daken zijn gedekt met rode of (grijs) gesmoorde keramische pannen
  • type dakpan is afgestemd op de bouwtijd van de woningen
  • de afwerking van de gevel geschiedt in dekkend schilderwerk in een kleur die past bij het historische palet
  • de materialisatie en kleur van de aan- of bijgebouwen is in overeenstemming met het hoofdgebouw

 

 

Kaart

Welstandskaart

 Rijksmonument

 Gemeentelijk monument

 In procedure gemeentelijk monument

(Ver)bouwplan

Hoofdlijnen

De aanwezigheid van boten en oevervoorzieningen in de grachten, havens en andere wateren bepaalt mede het beeld van Amsterdam. Bij de vervanging of aanpassing wordt beoordeeld of het uiterlijk passend is. Aangezien er veel verschillende soorten boten zijn en ook de ruimtelijke context sterk uiteenloopt, worden in dit hoofdstuk de hoofdlijnen van welstand op het water uiteengezet. Dit hoofdstuk bestaat uit een toelichting op de soorten objecten, de ruimtelijke context en het niveau van welstand. Vervolgens komen de algemene welstandscriteria aan bod, gevolgd door nadere overwegingen voor erfgoed |en criteria voor eventuele excessen.

Object

Bij het beoordelen of een plan voldoet aan redelijke eisen van welstand, wordt in ieder geval het uiterlijk van het object op zich beoordeeld. Daarbij wordt rekening gehouden met het type object.

In welstand op het water wordt de term ‘boot’ gebruikt als verzamelnaam voor statische objecten, die drijven op het water en eventuele bijbehorende voorzieningen. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om woonboten, maar ook boten die door een bedrijf worden gebruikt vallen onder deze term. Het is een veelzijdige groep objecten, die uiteen lopen van als woning gebouwde arken tot traditionele zeilschepen en voormalige kustvaarders. Bij het opstellen van de criteria is gezien het onderscheid tussen de boten een onderverdeling gemaakt in schepen, vaartuigen en arken. Dit sluit aan bij bestaande begrippen zoals die onder meer in de bestemmingsplannen en ligplaatsenbeleid worden gehanteerd. Ook opgenomen zijn installaties en oevervoorzieningen.

Schepen
Een schip is een boot die herkenbaar is als een (van origine/authentiek) varend schip en daarbij behorende kenmerken. Een schip heeft in de regel een gezeegde romp met verhoogde stevens, stroomlijn en symmetrie. Al naar gelang het type is een schip voorzien van kenmerken zoals een voordek, achterdek, stuurhut, roer, gangboord, een luikenkap, mast en zwaarden.

Vaartuigen
Een vaartuig heeft een casco van een (van origine) varend schip met een daarvan afwijkende opbouw, bijvoorbeeld ten behoeve van gebruik als woonverblijf.

Arken en waterwoningen
Een ark is niet (van origine) gebouwd om te varen, maar een (meestal) rechthoekig casco met een opbouw bedoeld als drijvend woonverblijf of werkruimte. Hieronder vallen niet alleen de vele woonarken in de stad, maar bijvoorbeeld ook waterwoningen (op het water drijvende woningen).

Oevervoorzieningen
Oevervoorzieningen zijn nodig voor boten, maar horen bij de oever. Het wonen of werken op het water beperkt zich vaak niet tot een boot alleen. Vaak verschijnen objecten in de directe omgeving, in het water, aan de kademuur of op de kade. Het gaat daarbij om loopplanken, trappen, steigers en vergelijkbare voorzieningen die direct gerelateerd zijn aan het gebruik van de boten. Deze nota bevat geen criteria voor objecten zoals schuurtjes en erfafscheidingen, die vallen onder de welstandscriteria voor de wal.

Ruimtelijke context

Behalve naar het uiterlijk van het object op zichzelf wordt ook gekeken of het object tot zijn recht komt in de omgeving. Gezien de verschillen tussen de delen van de stad is het logisch, dat de criteria niet overal gelijk zijn. Het uiterlijk van een ark zal in één van de grachten anders worden ervaren dan in de Schinkel of Zijkanaal K. Op vergelijkbare wijze kan een schip aan de Levantkade of op het Buiten-IJ op zijn plaats zijn, maar uit de toon vallen als het in de Singelgracht afmeert.

Om recht te doen aan de kwaliteit van de omgeving is de stad verdeeld in ruimtelijke systemen. Deze zijn gekozen op ruimtelijke samenhang, waarbij het karakter van de aanwezige boten en het karakter van de omgeving is gewogen. Hierbij is waar mogelijk aansluiting gezocht bij de ruimtelijke systemen van ‘De Schoonheid van Amsterdam’. Voor elk van de ruimtelijke systemen is aangegeven welke kwaliteiten een rol spelen, wat het niveau van welstand is en wat de uitgangspunten zijn voor de beoordeling. Dit heeft geleid tot het volgende onderscheid:

  • Grachten
  • Amstel
  • Landelijk Noord
  • Kades
  • Vaarten
  • Buiten-IJ
  • Stadshavens
  • Industriehavens
  • Weesp

Welstandsniveau

Een boot of oevervoorziening die in het ene gebied prima op zijn plaats is, kan op een andere plek volledig uit de toon vallen. Naast het karakter van het ruimtelijk systeem werkt de welstandsnota met niveaus. Het welstandsniveau is een uitdrukking van de mate van inspanning, die wordt verwacht bij het maken van een plan of voorstel voor een vervanging. Het is een minimumniveau. Beter mag ook.

Voor heel Amsterdam is aangegeven welk welstandsniveau gewenst is. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de kwaliteit van de omgeving en gemeentelijk beleid. Er gelden op het water drie niveaus van welstand:

Bijzonder (sterk)
Bijzonder zijn gebieden met een groot belang voor het aanzien van de stad. Hier mag van het uiterlijk van een boot of oevervoorziening in beginsel worden verwacht, dat dit op zichzelf en in zijn omgeving bezien een bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving. Het object moet op zichzelf goed in orde zijn en goed passen in zijn omgeving.

Gewoon
Het niveau gewoon geldt in een groot deel van de stad. Dit zijn gebieden, waar het beleid inzet op beheer van de bestaande kwaliteit. In deze gebieden speelt het aanzien van de stad als geheel een minder grote rol. Hier is het beleid gericht op het praktisch beheer en is het welstands-beleid ondersteunend aan de gangbare kwaliteit van het gebied. Het object moet op zichzelf redelijk in orde zijn en passen in zijn omgeving.

Eenvoudig (licht)
In gebieden met het niveau eenvoudig (licht) zijn de ambities beperkt. Het welstandsbeleid is hier gericht op het voorkomen van incidenten, die de kwaliteit van het object of de omgeving naar beneden halen. Hier is de bandbreedte ruimer, zodat zowel beheer als veranderingen een optimale wendbaarheid van het gebied mogelijk maken. Het object moet op zichzelf voldoende in orde zijn en geen negatief contrast vormen in zijn omgeving.

Ontwikkellocaties
Voor plannen in gebieden in transformatie of opbouw mag een inspanning worden verwacht om de toekomstige kwaliteit voldoende te ondersteunen. Hier geldt tenzij anders vastgesteld het niveau van het ruimtelijk systeem waaronder de locatie valt, waarbij het gewone niveau als minimum wordt gehanteerd.

Beoordeling

Bij de beoordeling wordt bekeken of een object wat betreft het uiterlijk een kwaliteit heeft, die past in de omgeving. Gekozen is voor een opzet met objectcriteria voor schepen, vaartuigen, arken, bijbehorende installaties en oevervoorzieningen. Deze vormen samen met het niveau van welstand het startpunt voor de beoordeling. Daarbij wordt er rekening mee gehouden, dat boten in de regel rondom in het zicht liggen en vanaf de wal zelfs het dak goed te zien is. Waar op de wal een onderscheid wordt gemaakt tussen voor- en achterkant, is dit voor boten niet van toepassing.

Omdat er verschillen zijn tussen de objecten, kan de interpretatie van deze criteria om maatwerk vragen. Dit is met name het geval bij schepen, maar kan ook bij vaartuigen en arken nodig zijn. Voor de toepassing van de criteria moet dan ook altijd het doel van de welstandsbeoordeling worden meegewogen: het object moet op zichzelf en in zijn omgeving voldoen aan redelijke eisen, waarbij de (gewenste) ruimtelijke kwaliteit wordt meegewogen.

De uitwerking van de criteria voor de ruimtelijke systemen is te zien als een uitwerking van de hoofdlijnen. Waar nodig zal in de advisering hierop worden teruggegrepen. Dit kan gebeuren als een ontwerp niet aan de criteria van de ruimtelijke systemen voldoet maar op basis van andere kwaliteiten wel aan redelijke eisen van welstand voldoet of als de criteria van de ruimtelijke systemen zodanig zijn gehanteerd dat het ontwerp onder de maat blijft. Ook kan er op de uitgangpunten worden teruggegrepen om recht te doen aan de erfgoedwaarde van een object.

Waar gebouwen als onroerend goed plaatsgebonden zijn, is de relatie van boten met de wal minder vastomlijnd. Een boot is een object op zichzelf. In beginsel kan het object worden verwisseld door een vergelijkbare boot en in een aantal gevallen zelfs door een ander type. Gevolg is, dat oevervoorzieningen worden gezien als onderdeel van de omgeving met een daarop afgestemde vormgeving.

Welstandscriteria algemeen

De algemene welstandscriteria zijn de grondslag voor welstand. Ze zijn gericht op de zeggingskracht en het vakmanschap van ontwerpen. De hier opgenomen criteria hebben een vergelijkbare basis als de algemene criteria voor bouwwerken en zijn daarmee gekoppeld aan de uitgangspunten voor welstand op het land, maar bij de uitwerking is aandacht geschonken aan de specifieke eigenschappen van boten en de omgang met de erfgoedwaarde.

Gebruik van de criteria
Zorgvuldigheid, proportionaliteit, terughoudendheid en bescheidenheid zijn trefwoorden bij het gebruik en interpretatie van de criteria.

De gemene deler van de criteria is zorgvuldigheid. In het ontwerp moet zorgvuldig worden omgegaan met stijlen, materialen, verhoudingen, licht, kleur en detaillering. En er moet minstens zo zorgvuldig worden omgegaan met alles wat beïnvloed wordt door het ontwerp: de gebruiker, de omgeving en de sociaal-culturele context met inbegrip van cultuurhistorische waarden. Pas als de zorgvuldigheid er op al deze vlakken aan af te lezen is, voldoet het aan redelijke eisen van welstand.

Ook van belang zijn proportionaliteit, terughoudendheid en bescheidenheid. Proportionaliteit houdt in dat toegepaste stijlen, materialen, verhoudingen, licht, kleur en detaillering in een redelijke verhouding moeten staan in een evenwichtig ontwerp. Terughoudendheid is het vermijden van buitensporigheden en pretenties. Dit begrip hangt samen met bescheidenheid. Van een ontwerp mag worden verwacht, dat het niet op de voorgrond dringt en in zijn verschijningsvorm rekening houdt met andere gebruikers van de leefomgeving.

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie (A)
Verwacht mag worden dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.

Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan gebruik en constructie. Sterker nog: het uiterlijk moet meer zijn dan de rechtstreekse optelsom van die twee. Daarin mag de vorm uiteindelijk best leidend zijn, mits er maar een duidelijke relatie blijft bestaan met het gebruik en de constructie. Het gaat daarbij vooral om samenhang en consistentie.

Boten en oevervoorzieningen worden in de eerste plaats gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken.

Een boot heeft een verschijningsvorm en constructie, die terug te leiden zijn op functie en, bij varende schepen, vaarwater. Het casco van een ark is geoptimaliseerd om op een ligplaats te functioneren, terwijl een tjalk gebouwd is om met vracht te zeilen. Elk type heeft zijn eigen geschiedenis, stijl en logica.

Veranderingen aan schepen en vaartuigen ten behoeve van wonen of ander niet oorspronkelijk gebruik moeten op samenhangende en logische wijze worden ingepast in het ontwerp. Zo past ook niet elke aanpassing van de romp bij de samenhang tussen oorspronkelijke constructiemogelijkheden en gebruik, die in de regel typerend zijn voor boot en vaarwater. Een grote verlenging of verkorting bijvoorbeeld kan de verhoudingen en lijnen van een romp verstoren.

Het bij historische schepen en vaartuigen in stand houden van onderdelen benodigd voor de vaart, inclusief wettelijk verplichte onderdelen, past bij de wens tot behoud van gebruik. Voor historische boten geldt verder, dat indeling en detaillering van historisch exterieur (en indien aanwezig historisch waardevol interieur) behoudenswaardig zijn.

Relatie met de omgeving (B)
Van een ontwerp wordt verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het object of van de omgeving groter is.

Dit criterium beschrijft welstand in letterlijke zin: het object moet ‘wel staan’. Dat betekent dat het niet alleen dienstbaar moet zijn aan zijn gebruikers, maar ook aan de omgeving waarin het zich bevindt. In ruil voor het gebruik van de ruimte, wordt verwacht dat het ook iets teruggeeft aan de omgeving.

Amsterdam is geen verzameling losse elementen, maar een samenhangend geheel. Boten en oevervoorzieningen zijn in de regel onderdeel van openbare ruimte en moeten daarin een goede plek innemen. Van belang is bijvoorbeeld, dat een boot zich als zelfstandig afleesbaar object voegt in de omgeving en wat betreft maat en schaal op zijn plaats is. In dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor de relatie tussen wal en water, waarvoor onder meer zichtlijnen en afstand tussen wal en schip van belang zijn.

Een ontwerp moet passen in de stad en een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van zijn omgeving. Met andere woorden: het bestaansrecht ligt niet alleen in het eigen functioneren, maar ook in de betekenis die het object heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving.

Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context (C)
Verwacht mag worden dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.

Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn gezien, krijgen ze een zelfstandige betekenis en roepen ze, los van gebruik en constructie, associaties op.

In iedere stijl van ontwerpen wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een ontwerp ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Concepten en vormen die niet bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit zullen weinig draagvlak vinden. Om dat te voorkomen, laat de commissie de maatschappelijke context van een ontwerp, meewegen in het advies.

Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een ontwerp te begrijpen als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl of een type schip. Voor historische boten is dan ook het behoud van cultuurhistorische belangwekkende vormen en onderdelen van belang, zoals een uitdrukking van een historische ontwikkeling, historisch gebruik of herinnering aan een gebeurtenis.

Het is belangrijk om zowel bij aanpassingen aan bestaande boten als bij nieuwe plannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit (D)
Verwacht mag worden dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.

Een belangrijke eis die aan een ontwerp mag worden gesteld, is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming. Het beeld van een boot die voldoet aan redelijke eisen van welstand heeft een aantrekkingskracht, waarbij er een evenwicht is dat niet lijdt onder simpelheid of complexiteit.

Verhoudingen, symmetrie, ritme, herkenbare maten en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie in een omgeving te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Dit geldt ook voor de begrijpbaarheid van boten als zelfstandig vormgegeven objecten. Juist bij het ontwerp hiervan mag een zorgvuldig gebruik van typologieën worden verwacht, met name bij nieuwe schepen die speciaal worden gebouwd om op te wonen.

Van oudsher worden helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen. In een omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie.

Schaal en maatverhoudingen (E)
Van een ontwerp wordt verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast.

Ieder ontwerp heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of betekenis van de betreffende opgave. Maatverhoudingen zijn van groot belang voor de belevingswaarde. Als toegevoegde elementen te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa of de vlakverdeling, verstoren zij niet alleen het beeld van het object zelf, maar ook dat van de omgeving.

Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang vertonen. De afmetingen en verhoudingen van elementen vormen samen de compositie van een object. Dit is met name van groot belang bij het ontwerp van boten. Deze hebben kenmerkende verhoudingen tussen lengte- en hoogtematen. Dit geldt voor de verhoudingen van de scheepsromp met inbegrip van de hoogte en de zeeg, maar ook voor de daarmee samenhangende maten van de opbouw zoals bijvoorbeeld de maatvoering van stuurhut, roef, achter- en voordek.

Voor historische boten geldt wat dit criterium betreft, dat de bestaande oorspronkelijke schaal en maatverhoudingen bij aanpassingen worden gerespecteerd.

Materiaal, textuur, kleur en licht (F)
Van een boot of oevervoorziening wordt verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het object op zichzelf en bezien in zijn omgeving de kwaliteit van de omgeving ondersteunen.

Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een ontwerp visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het ontwerp. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de vormgeving of een juiste interpretatie van de aard en ontstaansperiode van een oorspronkelijk bouwwerk of schip in de weg staat. In dit verband moet ook de duurzaamheid van materialen worden genoemd. Materialen moeten zoveel mogelijk bestand zijn tegen slijtage en veroudering, wat op het water onder meer betekent dat ze goed te onderhouden moeten zijn.

Materiaal, textuur en kleur moeten bijdragen aan het ontwerp. Hout en staal zijn niet alleen geschikte materialen voor de bouw van een schip, maar de eigenschappen en verwerkingsmogelijkheden van deze materialen liggen net zo goed als het type vaarwater ten grondslag aan scheepsontwerpen. Kleuren van schepen zijn vaak verbonden aan de oorspronkelijke functie. Een roef is vaak wit, de romp en dekken zijn zwart, laadboom en giek zijn vaak bruin of geel. Voor historische boten betekent dit criterium behoud van oorspronkelijke materialen, texturen en kleuren. In beginsel keren ze bij vervanging terug.

Welstandscriteria excessen

Ook op het water mag er geen sprake zijn van ernstige mate van strijd met redelijke eisen van welstand. Een eigenaar van een boot of oevervoorziening kan als er sprake is van een exces door de gemeente worden aangeschreven om het betreffende object te verwijderen of aan te passen.

Van ernstige mate van strijd kan onder meer sprake zijn als:

  • een boot of object een te grove inbreuk vormt op wat in de omgeving gebruikelijk is
  • eigenschappen van het ontwerp of de typologie worden ontkend of zijn vernietigd bij aanpassing of uitbreiding
  • sterk contrasterende kleuren zijn toegepast (uitgezonderd op de typologie afgestemde traditionele nautische kleuraccenten bij schepen en vaartuigen)
  • gebruik wordt gemaakt van opdringerige reclames
  • door beschadiging, achterstallig onderhoud, armoedig materiaalgebruik, sterke veroudering, gedeeltelijke afbraak, instorting, verwaarlozing danwel verandering het uiterlijk sterk is aangetast kenmerkende elementen van schepen en vaartuigen passend bij het type of benodigd voor de vaart zijn beschadigd of verwijderd
  • de vormgeving en detaillering wordt verstoord door (onderdelen van) installaties of door andere toevoegingen
  • graffiti is aangebracht of het object anderszins is beklad
  • de vorm of het aanzien in overwegende mate wordt bepaald door objecten die op de boot zijn geplaatst

Bij toepassing van deze criteria is eerder sprake van een exces:

  • naarmate een boot of object zich meer in het zicht bevindt en de openbare ruimte van groter belang is voor het aanzicht van de stad of het landschap (met inbegrip van water)
  • naarmate een gebied een hoger welstandsniveau of een hogere cultuurhistorische waarde heeft
  • naarmate er meer van de genoemde criteria van toepassing zijn

Welstandscriteria erfgoed

Het hanteren van de welstandscriteria voor historische boten kan gecompliceerd zijn. Er zijn veel typen en wie verder kijkt ziet allerlei uitzonderingen met ieder een eigen geschiedenis. Om deze reden zijn hier aanvullende overwegingen opgenomen. Het zijn uitwerkingen en aanvullingen op de algemene welstandscriteria. Doel hiervan is op een passende wijze behoud en gebruik van historische boten mee te wegen in de advisering.

Historische boten

Door de grote verscheidenheid aan historische boten en de mate van originaliteit is het niet eenvoudig een definitie te geven, wat een historische boot is. De welstandsnota is ook niet de juiste plek om hier een definitie voor op te stellen. Zeker niet, omdat boten in de loop van de geschiedenis altijd zijn aangepast aan nieuwe mogelijkheden en nieuwe functies. Zo zijn in de loop van de tijd zeilende vrachtschepen aangepast aan het varen met een verbrandingsmotor. Ook werden veel kleinere schepen uit de vaart genomen en verbouwd om op te recreëren of wonen. Het veranderende gebruik is onderdeel van de geschiedenis. Het doel is om authenticiteit en historisch eigenschappen in de advisering ten aanzien van het uiterlijk te wegen. Het streven is om aan de hand van gegevens en beeldmateriaal beoordeling en besluitvorming mogelijk te maken, waarbij geen historische waarden verloren gaan. Het is in dit verband daarom voldoende om het mogelijk te maken de historische waarden mee te nemen in de advisering.

Dit betekent overigens niet, dat elk historisch schip op elke plek past. De maat en schaal van bijvoorbeeld een lichtschip past niet in de grachten, maar zou in de stadshavens of industriehavens op zijn plaats kunnen zijn. In de overweging of een historisch schip past wordt het karakter en de kwaliteit van de omgeving meegewogen.

Doelen

De gemeente Amsterdam wil de geschiedenis van de stad ook op het water zichtbaar en beleefbaar houden. Het welstandstoezicht op historische boten is gericht op het instandhouden van de karakteristieken van boten en het versterken van de historische kwaliteiten.

Daarbij hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten:

  • Behoud
    Het welstandsbeleid voor historische boten is gericht op het behouden en versterken van de authenticiteit en historische kenmerken van de boten met inbegrip van maatvoering. Behoud van historische materialen en eigenschappen weegt daarbij zwaarder dan reconstructie.
  • Zorgvuldig en ambachtelijk
    Bij de toepassing van de criteria ligt de nadruk op zorgvuldigheid en ambachtelijke scheepsbouwkunde.
  • Varen
    Varende schepen en vaartuigen dragen bij aan de beleefbaarheid van de Amsterdamse historie. De gemeente wil met de overwegingen ruimte geven aan het varend houden van historische boten vanuit de gedachte, dat gebruik van belang is voor onderhoud en behoud op de lange duur.

Overwegingen

Bij de beoordeling worden de volgende overwegingen gehanteerd:

  • Hoofdvorm
    De historische hoofdvorm en massaopbouw zijn het behouden waard. Daarbij is in ieder geval aandacht voor de relatie tussen de romp (eventueel casco) en opbouw van belang. In het onderlinge evenwicht is in ieder geval bij schepen en vaartuigen de romp leidend in de verschijningsvorm. De opbouw heeft in beginsel een bescheiden hoogte en breedte, blijft binnen de gangboorden en laat het voor- en achterdek vrij. Toevoegingen ten behoeve van het gebruik van de boot als woonruimte, werkruimte, recreatie- of charterschip (bijvoorbeeld ramen, lichtluiken, deuren, tussendekken, relingen of andere toevoegingen) zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm en het totaalbeeld.
  • Uitwerking
    De scheepsbouwkundige uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig, evenwichtig en passen bij het type boot. Het karakteristieke beeld van de historische boot gaat voor op de herkenbaarheid van de nieuwe functie van de boot zoals woning, werkruimte, recreatieruimte of charter. Daarbij wordt extra zorg gevraagd voor de uitwerking en detaillering van toevoegingen voor nieuwe functies, zoals ramen, lichtluiken, toegangsdeuren en tussendekken. Aanpassingen zijn ondergeschikt aan het historisch beeld. Bij renovatie of restauratie van historische boten worden de bestaande kenmerken en detaillering behouden. Dit geldt met name voor traditionele scheepsbouwkundige eigenschappen en onderdelen. Het zijn de representanten van de ambachtelijke scheepsbouw. In stadsdelen en op locaties met overwegend nieuwe bebouwing kan een eigentijdse interpretatie van historische kenmerken op zijn plaats zijn.
  • Romp, casco en opbouw
    De romp of het casco is het gedeelte van de boot, dat grotendeels in het water ligt. Vooral de romp van een schip of vaartuig is in verband met het varen nog meer dan de opbouw sterk gesloten, voor het casco van een ark geldt dit niet altijd. In beginsel mag de vorm van de romp niet worden aangetast, waarbij ook het oorspronkelijk materiaal zoveel mogelijk moet worden behouden. Ramen en sparingen passen niet in de romp, een eventuele patrijspoort passend bij het oorspronkelijke type en de oorspronkelijke functie daargelaten. Voor aanpassingen in de opbouw geldt, dat deze vaak goed zichtbaar zijn. Daarom is de vormgeving en het materiaalgebruik van belang. Voor cultuurhistorisch waardevolle boten geldt, dat de daklijn in beginsel de zeeg van de romp of het casco volgt. Op een gezeegd schip staat dus een gezeegde opbouw. Daarnaast moeten toevoegingen passen bij het type en de maat van de boot. Op een groot schip is een kleine koekoek geen logische keuze. Maat en schaal van het geheel spelen een rol bij de keuze voor de uitvoering van onderdelen.
  • Onderdelen
    Historische schepen, vaartuigen en arken hebben niet alleen een historische romp of casco met opbouw, maar meestal ook een grote hoeveelheid kenmerkende onderdelen die het behouden waard zijn. Een romp bestaat uit meer dan huid en spanten voorzien van een gangboord en roer. Berghout, boeisel en potdeksel zijn eveneens beeldbepalend. Voor de zeilvaart zijn zijzwaarden en puttingen standaard romponderdelen. Voor de opbouw geldt hetzelfde. Bij een stuurhut hoort zicht rondom. Een roef heeft juist kleinere ramen, die vaak zijn voorzien van schuifluiken tegen wild water. Het ruim van een vrachtschip heeft vaak een luikenkap op een den met keggenbank. Waar zeilschepen hoge masten hebben met een giek en in Nederland vaak ook een gaffel, hebben veel motorschepen van oudsher een wat lagere mast met een zware giek om te laden en lossen. Het verschil in gebruik is ook te zien in het soort lieren en tuigage. Ook navigatieverlichting, naamborden, luchthappers, uitlaten, relingen en versieringen zijn vaak historische onderdelen. In de bijlage is een nadere toelichting te vinden op dit soort kenmerkende onderdelen.
  • Materiaal en kleur
    Voor historische boten is het behoud van materiaal en het gebruik van historische kleuren het uitgangspunt. Daarbij gaat het om materialen zoals hout, en staal geschilderd in traditionele scheepskleuren zoals zwart, bruin, wit, rood. Ook zeildoek, touwwerk en transparant glas komen van oudsher vaak voor. In dit verband is het leidend beginsel bij renovatie en aanpassingen aan te sluiten op de detaillering en het materiaal- en kleurgebruik van de historische boot.

Ruimtelijk systeem

Na de fusie van de gemeenten Weesp en Amsterdam zijn de criteria voor woonschepen/ woonarken uit de Welstandsnota Weesp 2017 overgenomen in de nota Welstand op het water. De criteria zijn daarbij ongewijzigd gebleven.

Ruimtelijk systeem

De gebiedscontour van het ruimtelijk systeem ‘Weesp’ omvat het complete stadsgebied Weesp. De criteria in dit systeem zijn voornamelijk gericht op woonschepen/ woonarken langs de Vecht in het landelijke gebied.

Welstandsniveau

Voor het stadsgebied Weesp geldt welstandsniveau ‘bijzonder’. Om het karakter van het gebied te bewaren is terughoudendheid op zijn plaats. De landschappelijke inpassing van woonschepen/ woonarken is van groot belang.

Beoordeling

Het welstandsbeleid voor woonschepen is onderdeel van het integrale welstandsbeleid. De hoofddoelstelling is, dat criteria worden geformuleerd, waarbij woonschepen/woonarken zowel op zichzelf als ten opzichte van de omgeving voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Centrale uitgangspunten bij het realiseren en plaatsen van een woonschip/woonark in stadsgebied Weesp zijn:

  • De aantasting van het landschap dient minimaal te zijn.
  • De opbouw en vormgeving van de woonboot dient op zichzelf evenwichtig te zijn.

Criteria

Woonschepen/woonarken in stadsgebied Weespworden getoetst aan de criteria in dit hoofdstuk, in samenhang met het welstandsniveau en de beschrijving van het ruimtelijk systeem.